Over Bronbeek

Bronbeek is een museum en hét kenniscentrum van Nederlands koloniale militaire geschiedenis. Het bevindt zich op een historisch landgoed. Bronbeek is ook een tehuis voor veteranen van de Nederlandse krijgsmacht en het voormalige Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL). Op het landgoed wordt een groot aantal herdenkingen gehouden.

Op de hoogte blijven?

Meld u aan voor de nieuwsbrief.

Oorspronkelijk buitenverblijf

Welgestelde burgers legden Bronbeek begin 19e eeuw aan als buitenverblijf. Koning Willem III (1817-1890) was de laatste particuliere eigenaar. Hij schonk het landgoed in 1859 aan de staat onder de voorwaarde dat er een tehuis kwam voor militairen van het koloniale leger. Architect Nicolaas Willem Rose ontwierp vervolgens een praktisch en modern gebouw. Op 19 februari 1863 opende het ‘Koloniaal Militair Invalidenhuis’. Het bood huisvesting aan ruim 200 militairen, die door handicap of hoge leeftijd geen actieve dienst meer konden vervullen.

In 1970 verviel de voorwaarde dat bewoners gediend moesten hebben bij het KNIL. Het tehuis werd opengesteld voor oud-beroepsmilitairen uit alle delen van de Nederlandse krijgsmacht.

Museum

Na de opening schonken het Ministerie van Koloniën, de koning en particulieren voorwerpen uit Nederlands-Indië aan Bronbeek. Dit vormde de aanzet tot het hedendaagse museum. De voorwerpen  kregen een plaats in de gangen, langs de wanden en in de trapportalen van het tehuis. Op het terrein rond het tehuis verbouwden de bewoners voedsel.

Inmiddels is het museum dé plek voor Nederlands koloniale militaire geschiedenis. Op het landgoed zijn in de loop der jaren verschillende monumenten verrezen en Bronbeek is inmiddels een belangrijke herdenkingsplaats.

Het KNIL-monument. Het gedenkt hen die dienden in het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger. 2 bronzen figuren verbeelden een Molukse en een Nederlandse fuselier van het KNIL.

KNIL-monument.

Het KNIL

In eerste instantie was de Indische strijdmacht onderdeel van het Nederlandse leger. Vanaf 1814 ontwikkelde het Koninklijke Nederlandsch-Indisch Leger zich tot een zelfstandig leger. Het bestond alleen uit beroepsmilitairen en militairen uit het Nederlandse leger die voor een bepaalde periode bij het leger waren gedetacheerd. In de 19e eeuw moest het KNIL onlusten, ongeregeldheden en opstanden bedwingen en oorlogen voeren. Hiervoor werden verschillende expedities uitgezonden. In deze onrustige periode moesten de Nederlandse troepen vrijwel elk jaar in het een of ander deel van het eilandenrijk optreden.

Japanse invasie

In de loop van de 20e eeuw ontstond de noodzaak om ook bedacht te zijn op een buitenlandse vijand. Het KNIL wist de Japanse invasie in 1942 niet tot staan te brengen. Slechts enkele militairen ontkwamen naar Australië en vele krijgsgevangenen werden gedwongen tot dwangarbeid tot de dood er op volgde. Na de oorlog volgde direct een nieuwe uitdaging: de zogenoemde politionele acties moesten een einde maken aan de onafhankelijkheidsstrijd van de Indonesiërs. In 1949 ging Nederland gedwongen akkoord met erkenning van Indonesië. Niet lang daarna, juli 1950, hield het KNIL op te bestaan.