Coördinatenreferentiestelsels voor dieptebepaling op zee

Om waterdiepte in een getal uit te drukken, is een nulpunt nodig: het reductievlak. Omdat er meerdere reductievlakken bestaan, staat op elke zeekaart het reductievlak vermeld.

Lowest Astronomical Tide (LAT)

Het standaard reductievlak voor zeekaarten is het Lowest Astronomical Tide (LAT). Dit is de laagst mogelijke waterstand gebaseerd op de stand van zon en maan. Waterstanden onder het LAT komen ook voor, door weersomstandigheden zoals een hoge luchtdruk of een aflandige wind.

Mean Sea Level (MSL)

Voor andere toepassingen (zoals off-shore en oceanografie) wordt gebruik gemaakt van een ander reductievlak op zee: het gemiddelde zeeniveau of Mean Sea Level (MSL). De afstand tussen MSL en LAT verschilt per plaats. De ligging van het LAT ten opzichte van MSL is in 2006 bepaald voor het Nederlandse zeegebied.

Approximately LAT (ALAT)

Voor de benedenrivieren heeft de waterafvoer zoveel invloed, dat het LAT geen geschikt reductievlak meer is. In plaats daarvan wordt een benadering gebruikt, het zogenoemde Approximately LAT. Dit vlak wordt ook wel aangeduid als Overeengekomen Laag Water (OLW). Het vormt een vloeiende overgang van het LAT te Hoek van Holland tot de Overeengekomen Lage Rivierstand (OLR) op de Waal te Tiel. Alle rivierpeilen zijn ook bekend in NAP en kunnen daar dus naar worden omgerekend.

Normaal Amsterdams Peil (NAP)

Op land worden alle hoogten gemeten ten opzichte van het Normaal Amsterdams Peil  (NAP). Het NAP is ongeveer de gemiddelde waterstand in rust te Amsterdam. Het verschil met het MSL komt door meteorologische en oceanografische invloeden. Rijkswaterstaat houdt het NAP bij.

De jaarlijkse uitgave HP33 laat zien hoe NAP en LAT zich tot elkaar verhouden op bepaalde locaties. Dit is nodig omdat havenmeesters en sluiswachters de waterstand vaak in NAP geven.

Afstand tot de geoïde

Het LAT is ook uit te drukken in de afstand tot de zogeheten geoïde. De geoïde is de wereldwijde vorm van de zeespiegel; als er geen continenten zouden zijn en alleen de zwaartekracht van invloed zou zijn. Wind en getijden spelen dan geen rol. De TU Delft doet onderzoek naar de relatie tussen beide vlakken voor de Noordzee.

Hoogten vaststellen met GPS-ontvangers

GPS-ontvangers kunnen ook hoogten vaststellen. Daarvoor moet eerst het MSL-niveau of het geoïdeniveau worden bepaald ten opzichte van het interne referentieniveau van GPS-ontvangers (de ellipsoïde). Vervolgens worden daar de LAT-waarden vanaf getrokken.
Het geoïdeniveau is wereldwijd bepaald als EGM2008 door het Amerikaanse National Geospatial intelligence Agency (NGA). Voor het MSL-niveau raadt de Dienst der Hydrografie de DTU10-realisatie aan van de Deense Technische Universiteit (DTU).

North Sea Hydrographic Commission

De North Sea Hydrographic Commission (NSHC) speelt een coördinerende rol bij het vaststellen van de reductievlakken voor de Noordzee. Toch is de ligging van het LAT aan de grenzen van landen aan de Noordzee overal net iets anders. En gebruiken sommige hydrografische diensten zelfs een afwijkende definitie.