Naar de Nederlandse luchtaanval op een gebouw in de Iraakse stad Mosul in 2016 is door Defensie een onderzoek ingesteld. De aanval was onderdeel van Operation Inherent Resolve (OIR), de coalitie die in Irak en Syrië tegen ISIS opereerde. Bij deze wapeninzet zijn naar alle waarschijnlijkheid 7 burgers om het leven gekomen. Betrokken defensiemedewerkers valt geen verwijt te maken ten aanzien van de gevolgen van de luchtaanval. Dit blijkt uit een onderzoek van Defensie waarover minister Dilan Yeşilgöz-Zegerius vandaag de Tweede Kamer heeft geïnformeerd.

De conclusie komt overeen met de conclusies van het Openbaar Ministerie dat vorig jaar een feitenonderzoek afrondde naar dezelfde luchtaanval. De informatie destijds was dat dit gebouw dienstdeed als ISIS-hoofdkwartier. Uit het onderzoek blijkt echter dat het gebouw naar alle waarschijnlijkheid dienst deed als woongebouw en waarschijnlijk niet als hoofdkwartier van ISIS.

Uit het onderzoek blijkt verder dat het doelwit volgens de toen geldende procedures is aangegrepen. Er zijn geen procedurele onvolkomenheden geconstateerd. Nederland had in de voorbereiding op en de uitvoering van de wapeninzet geen aanwijzingen dat de wapeninzet mogelijk tot burgerslachtoffers zou leiden.

Defensie had ook na de wapeninzet zelf geen aanwijzingen van vermoedens van burgerslachtoffers. In 2023 werd Defensie pas op de hoogte gesteld van een vermoeden van burgerslachtoffers als gevolg van het journalistieke onderzoek van NRC, NOS en Nieuwsuur. Aansluitend is door Defensie meteen een intern onderzoek ingesteld. Het is de eerste keer dat Defensie een dergelijk onderzoek uitvoerde conform nieuwe onderzoeksprocedures die in 2023 zijn vastgelegd. De commissie is onder meer in Mosul geweest voor het onderzoek.

Gebouw

Het aangegrepen doel betrof op basis van de destijds beschikbare informatie een legitiem militair doelwit. Het gebouw was door de coalitie aangemerkt als gebouw dat door ISIS werd gebruikt als hoofdkwartier. Er was bij Nederland geen informatie bekend die de inhoud van deze inlichtingen in twijfel had moeten trekken. Op basis van de informatie waar Defensie tijdens het interne onderzoek over beschikte, kan met de kennis van nu worden vastgesteld dat er geen sprake was van een legitiem militair doelwit.

Vrijwillige tegemoetkoming

Minister Yeşilgöz-Zegerius stelt dat het zeer te betreuren is dat deze luchtaanval onbedoeld burgerslachtoffers tot gevolg heeft gehad. De bewindsvrouw heeft daarom de nabestaanden excuses aangeboden voor de onvoorziene gevolgen van deze aanval.

Yeşilgöz-Zegerius heeft besloten de nabestaanden een vrijwillige financiële tegemoetkoming aan te bieden. Er was, met de kennis van nu, geen sprake van een legitiem militair doelwit. Een tegemoetkoming is daarom niet alleen gepast maar ook uitvoerbaar, blijkt uit de Kamerbrief. Over de vrijwillige tegemoetkoming heeft Defensie contact met de advocaat van de nabestaanden.

Aanbevelingen

De onderzoekscommissie heeft daarnaast meerdere aanbevelingen gedaan. Zo stelt de commissie onder meer dat er betere afspraken moeten worden gemaakt met toekomstige coalitiepartners over het delen van informatie over meldingen van vermoedens van burgerslachtoffers. Het is van belang dat Nederland altijd direct op de hoogte wordt gesteld wanneer een coalitiepartner dergelijke meldingen ontvangt. Zo kan Defensie immers een onderzoek starten wanneer Nederlandse betrokkenheid aannemelijk is.

Ook beveelt de onderzoekscommissie aan in de totstandkoming van missies en operaties een afweging te maken over welke tijdsduur tussen de laatste update van de inlichtingen en de betreffende wapeninzet door Nederland acceptabel wordt geacht. Hoewel het onderzoek concludeert dat de tijdsduur voor de betreffende luchtaanval binnen de door de coalitie gehanteerde termijn viel en dat een kortere tijdsduur niet per definitie tot een andere afloop zou hebben geleid, zal Defensie in de toekomst op voorhand bepalen wat voor Nederland acceptabele tijdsduren zijn.