Na bijna 18 jaar eindigt KFOR-missie voor Nederland (video)

“Er is genoeg te doen om ons 15 tot 20 jaar aan het werk te houden.” Generaal-majoor buiten dienst Koen Gijsbers had in september 1999 een vooruitziende blik als bataljonscommandant van het Nederlandse Geniehulpbataljon in Kosovo. Vandaag kwam na bijna 18 jaar een einde aan de Nederlandse bijdrage aan Kosovo Force (KFOR).

Militair draagt vlag over met publiek op achtergrond.

Luitenant-kolonel Huib Rentzing draagt de Nederlandse vlag over. De Nederlandse ambassadeur is hierbij aanwezig.

Waar nu 4 Nederlandse militairen de deur achter zich dicht trekken, begon de deelname aan KFOR eind juni 1999 een stuk heftiger met ruim 2.000 zwaarbewapende Nederlanders.

Toen de Kosovaarse onafhankelijkheidsstrijd escaleerde en een massamoord door Serviërs dreigde, greep de internationale gemeenschap in. De NAVO dwong de Servische troepen van president Slobodan Milošević met luchtaanvallen op de knieën. Daarna werd KFOR in het leven geroepen om het staakt-het-vuren tussen de Serviërs en de Kosovaarse Albanezen te handhaven.

Video: ceremonieel einde deelname KFOR

Bewapende ‘Gele Rijders’ bij M109 155mm-geschut in Kosovo. Tussen gebouwen en passerende man met kind.

Archieffoto: bewapende ‘Gele Rijders’ bij M109 155mm-geschut in Kosovo.

Niets aan het toeval

In die hectische omstandigheden arriveerden de eerste Nederlandse militairen als onderdeel van de internationale troepenmacht. Het was de eerste grote missie na Srebrenica en Nederland liet niets aan het toeval over. Als eerste arriveerde dan ook 11 Afdeling Rijdende Artillerie met hun zware M109 155mm-geschut.

Zware uitzending

“Het was totale chaos”, vertelt luitenant-generaal buiten dienst Ton van Loon die destijds commandant was van de artilleristen, ‘de Gele Rijders’. “Je moet je een bevrijdingssfeer voorstellen, maar er waren ook nog Servische troepen die zich terugtrokken. Het was een zware uitzending, fysiek vanwege de zeer primitieve omstandigheden, maar vooral psychisch. Overal lagen lijken op straat, in waterputten en in massagraven.”

Van Loon bezoekt op 18 juni 1999 de Servische wijk in Orahovac om de gemoederen tot bedaren te brengen.

Van Loon bezoekt op 18 juni 1999 de Servische wijk in Orahovac om de gemoederen tot bedaren te brengen.

Beeld: NIMH

Hard aan de bak

Het 1e jaar moesten de ruim 2.000 Nederlanders hard aan de bak. Zo beschermden ze bijvoorbeeld regelmatig Serviërs tegen wraaklustige Albanezen. Met een land in puin was er ook voor de honderden militairen van 1 Geniehulpbataljon, een helikopterdetachement en een kleine 50 marechaussees een overvloed aan werk. Ze bouwden bruggen, noodwoningen en boden op andere manieren de eerste noodhulp. Na een jaar werd de Nederlandse aanwezigheid flink afgebouwd, maar altijd deden er enkele Nederlanders mee.

Hoopvol

Opvallend genoeg sloot een Gele Rijder de missie nu ook af voor Nederland. Luitenant-kolonel Huib Rentzing: “De situatie blijft precair, maar ik laat het hier hoopvol achter. Zo is inmiddels een professioneel, multi-etnisch veiligheidsapparaat opgebouwd. Nederland eindigt hier erg mooi en toepasselijk met een watermanagementproject. Daarvoor zaten we gisteren nog met vertegenwoordigers van een Servische en 2 Albanese gemeenten om de tafel. Zij werken nu samen om waterlast te bestrijden. Dat is echt historisch.”

Minder missies op Westelijke Balkan

Een andere missie op de Balkan eindigde al op 28 februari van dit jaar. Het gaat om EUFOR Althea in Bosnië-Herzegovina. Nederland leverde de laatste jaren 3 militairen maar neemt niet langer deel om het aantal missies wereldwijd te beperken. De Nederlandse militairen maakten deel uit van de Capacity Building and Training Division van de Europese missie en werkten als adviseur voor de Bosnische krijgsmacht.

Nederland blijft wel zich inspannen voor veiligheid en rechtsorde op de Westelijke Balkanlanden. Dat gebeurt via diplomatieke kanalen, een maatschappelijk overgangsprogramma en een bijdrage aan de civiele missie EULEX Kosovo.