Molendijk: Documentaire Chora zorgt voor maatschappelijke groepensplitsing

“Juist als we de smerigheid van oorlog willen indammen, moeten we ons onbehagen erover toelaten. We moeten durven praten over bloed, geweld en afgerukte ledematen.” Dit stelt universitair onderzoeker bij de Nederlandse Defensie Academie Tine Molendijk. De cultureel antropoloog reageert op de tv-uitzending over de Slag bij Chora, afgelopen dinsdag op NPO2.

De documentaire ging over de 3-dagen durende Slag bij Chora in juni 2007, waarbij Nederlandse en Afghaanse troepen de Taliban bevochten. In de strijd komen, deels door Nederlandse inzet, in totaal ongeveer 250 mensen om, onder wie 50 tot 80 burgers. Rond de 100 raken er gewond. Wat Molendijk betreft lijkt de uitzending niet voor de beoogde openheid te zorgen, “maar voor een maatschappelijke groepensplitsing, zoals vaker bij verslaggeving rondom Nederlandse missies.”
Volgens haar is het zaak te erkennen dat militaire interventie geweld kan betekenen. Dat er dus mogelijk onschuldige slachtoffers vallen, zelfs door onnodige fouten. “Pas dan kunnen we er een open, transparant, zinvol gesprek over voeren.

Roeptoeteren vanaf de zijlijn

Molendijk kreeg na de bewuste Chora-documentaire niet alleen reacties van geschrokken vrienden via de app. Ze las ook berichten van militaire collega’s en veteranen, die ze kent door haar onderzoek onder militairen, getraumatiseerd teruggekeerd uit Afghanistan. Ze zagen volgens haar hernieuwde publieke ophef aankomen. Reacties waren: “We hebben laagbetaald ons stinkende best gedaan, tegenover een opponent die zich tussen de burgers verstopte. Alsof we zelf niet nog altijd die moeilijke keuzes die we maakten op het netvlies hebben staan. Maar wat we ervoor terugkrijgen in Nederland is mensen die af en toe roeptoeteren vanaf de zijlijn.”

Gezien als verraders

De antropoloog kent via haar onderzoek, ook een van de veteranen uit de documentaire. “Zij hebben hun leven stuk zien gaan onder gewetenswroeging, hebben zich verraden gevoeld door de organisatie”, weet Molendijk. “Nu ze publiekelijk zijn gaan ‘biechten’ worden ze zelf gezien als verraders door sommige collega’s.”
De onderzoeker is van mening dat er een terechte roep is om openheid vanuit Defensie. Maar volgens haar lijkt onjuiste maatschappelijke beeldvorming een gerelateerd probleem. Zo viel haar op dat in het Chora-verhaal wordt gesuggereerd dat het om een nieuwe onthulling gaat. “Direct na de gevechten in 2007 deden ISAF, de VN, de onafhankelijke Afghaanse mensenrechtencommissie AIHRC en het OM er onderzoek naar.”  De uitkomst hiervan was dat militairen zich hebben gehouden aan het humanitair oorlogsrecht. Het Openbaar Ministerie zag geen reden om de zaak verder te onderzoeken. “Tegelijkertijd werd er hevig over gedebatteerd in zowel de Tweede Kamer als de media.

Meer algemeen bestaat er volgens Molendijk een problematisch maatschappelijke “Dit had nóóit mogen gebeuren”-reflex. “Maar situaties als Chora kunnen gebeuren in uitzendsituaties, en zullen ook weer gebeuren. Openheid en transparantie vanuit Defensie is cruciaal, maar leidt pas tot een echt gesprek als die ook vanuit de samenleving komt. Nederlanders willen wel vlees eten maar de koe niet geslacht zien worden, zo zei een militair me eens. Dit moet anders.”

Proefschrift

Dr. Molendijk promoveerde aan de Radboud Universiteit Nijmegen op een proefschrift over de morele, politieke en maatschappelijke dimensies van ‘morele verwondingen’ onder Bosnië- en Afghanistan-veteranen. Hierover verscheen dit jaar het boek Moral Injury and Soldiers in Conflict.

De opinie van Molendijk is eerder vanmorgen in dagblad Trouw gepubliceerd.