Het Nederlandse aandeel in United Nations Protection Force (UNPROFOR) en de United Nations Peace Forces (UNPF)

In een poging de oorlog in voormalig-Joegoslavië in te dammen, besloot de VN-Veiligheidsraad op 21 februari 1992 tot de oprichting van de United Nations Protection Force (UNPROFOR). De vredesmacht bestond uit 3 componenten: een militaire, een civiele en een politiecomponent.

Taken UNPROFOR

UNPROFOR moest in Kroatië toezien op: de handhaving van het staakt-het-vuren van januari 1992 en de demilitarisering van de door de Kroatische Serviërs veroverde gebieden. De VN riepen die gebieden uit tot United Nations Protected Areas (UNPA’s). De 4 UNPA's werden door UNPROFOR aangeduid als sector Oost (Oost-Slavonië), sector West (West-Slavonië), sector Noord en Sector Zuid (rond Knin).

UNPROFOR moest daarnaast de veilige terugkeer van vluchtelingen en ontheemden mogelijk maken. In januari 1993 werd de oorlog in Kroatië hervat. Pas op 29 maart 1994 sloten de partijen een nieuwe wapenstilstand, die stand hield tot januari 1995.

Indeling Nederlanders

UNPROFOR ontplooide in de Kroatische conflictgebieden 12 infanteriebataljons en een geniebataljon. De verbindingen van de infanteriebataljons, een geniebataljon en de hoofdkwartieren werden verzorgd door een Nederlands verbindingsbataljon. Dat plaatste bij elk van de genoemde eenheden een communicatiecentrum van ongeveer 11 militairen.

Bosnië

De VN-Veiligheidsraad breidde 8 juni 1992 de UNPROFOR-operaties uit naar Bosnië-Herzegovina. De raad riep in augustus 1992 de lidstaten op alles in het werk te stellen om humanitaire hulp aan Sarajevo en andere zwaar geteisterde gebieden in Bosnië mogelijk te maken. Op de etnische zuiveringen en de massamoorden die overal in Bosnië vooral door de Bosnische Serviërs werden gepleegd, bleven de VN het antwoord schuldig.

Nederlandse eenheden

3 infanteriebataljons met elk een Nederlands communicatiecentrum arriveerden in juli in Sarajevo. In oktober en november 1992 volgden een Brits infanteriebataljon in Vitez, een infanteriebataljon in Visoko en het Nederlands-Belgische transportbataljon in Busovaca. Medio 1993 kwam een Spaans infanteriebataljon aan in Medugorje.

Safe areas

In april en mei 1993 riep de VN-Veiligheidsraad 6 moslimgebieden uit tot ‘safe areas’ (veilig gebied). Hierna werden een Frans en een Scandinavisch infanteriebataljon (beide met een Nederlands communicatiecentrum) in respectievelijk Velika Kladusa (safe area Bihać) en safe area Tuzla gestationeerd.

Verbindingspersoneel overbodig

De VN voerden vanaf maart 1994 nieuwe satellietcommunicatieapparatuur in. Hierdoor werd het Nederlandse verbindingspersoneel overbodig. De eenheid werd op 1 september 1994 opgeheven.

Transport

Inmiddels was een Nederlands-Belgisch transportbataljon (560 personen) alweer 2 jaar actief in Bosnië. De eenheid vormde de ruggengraat van de humanitaire hulpverlening van UNPROFOR in Bosnië. Het bataljon was samengesteld uit 1 Belgische en 2 Nederlandse transportcompagnieën. Nederland leverde ook de staf, staf- en verzorgingscompagnie (SSV-compagnie). De 4 compagnieën werden in eerste instantie –in Busovača, Santici en Pančevoen later ook in Santici ondergebracht. In Split en Zagreb bleven logistieke eenheden achter ter ondersteuning van het transportbataljon.

Konvooien onder vuur op Bomb Alley

De Nederlandse hulpkonvooien werden in Bosnië beschermd door de infanteriebataljons van UNPROFOR. Deze konden echter niet altijd voorkomen dat de Nederlandse vrachtwagens werden beschoten. De transportroute van Busovača naar Tuzla liep tussen Kladanj en Stupari over een afstand van 10 kilometer dicht langs Bosnisch-Servische stellingen. Van daaruit kwamen konvooien regelmatig onder vuur te liggen. Dit deel van de route kreeg dan ook de toepasselijke naam Bomb Alley.

Veiligheidssituatie verslechtert

Eind april 1993 verslechterde de veiligheidssituatie sterk. De bases van het transportbataljon in Busovača en Santici kwamen midden in de frontlinie te liggen. De kampementen werden regelmatig door afzwaaiende projectielen getroffen. Konvooiritten naar de nabijgelegen plaatsen Zenica en Travnik waren levensgevaarlijk vanwege het onder de strijdende partijen populaire bandenschieten. De konvooien konden ook de strategisch gelegen stad Gornji Vakuf vanwege de sluipschutters alleen op zeer hoge snelheid doorkruisen.

Minder dreiging door staakt-het-vuren

De dreiging in Centraal-Bosnië verminderde aanzienlijk toen de Moslims en Kroaten in Bosnië op 23 februari 1994 een staakt-het-vuren sloten. In mei vormden ze de Moslim-Kroatische Federatie. Het aanbod van hulpgoederen nam eind 1994 sterk af, waardoor het bataljon met 1 transportcompagnie minder toe kon. Het Nederlandse ministerie van Defensie besloot het resterende deel van het transportbataljon samen te voegen met het Support Command in Lukavac tot een logistiek- en transportbataljon.

Safe areas

Bosnisch-Servische eenheden gingen begin 1993 in het oosten van Bosnië in de aanval. De VN-Veiligheidsraad probeerde hen een halt toe te roepen en riep in april 1993 het zwaar belaagde moslimstadje Srebrenica tot ‘safe area’ uit. De VN eisten dat de Bosnische Serviërs hun aanvallen staakten en zich terugtrokken uit de onmiddellijke omgeving van Srebrenica. De Veiligheidsraad breidde vervolgens in mei het aantal ‘safe areas’ uit tot 6. Naast Srebrenica, ging het om Sarajevo, Tuzla, Zepa, Gorazde en Bihać. Gebieden die door de Bosnische Serviërs zwaar werden belegerd.

Luchtmobiele infanterie

Minister van Defensie Relus ter Beek bood de VN op 7 september 1993 voor anderhalf jaar een luchtmobiel infanteriebataljon (Dutchbat) aan. Inclusief een eigen logistieke component (Support Command) dat bestond uit 1.196 militairen. Oorspronkelijk aangeboden voor inzet in Centraal-Bosnië, werd het bataljon op verzoek van de VN uiteindelijk ingezet in de geïsoleerde ‘safe areas’ Srebrenica en Zepa. Het Nederlandse bataljon loste op 3 maart 1994 in Srebrenica een Canadese compagnie af.

Dutchbat

Dutchbat zag erop toe dat de enclave een veilige en gedemilitariseerde zone bleef. De wapens van de Moslimeenheden werden verzameld in het Weapon Collection Point. Dutchbat hield daarnaast door patrouilles en vanuit observatieposten zo goed mogelijk zicht op de veiligheidssituatie in de enclave en vooral op de omstreden enclavegrenzen. Sociale patrouilles moesten daarnaast de contacten tussen Dutchbat en de bevolking op peil houden.

Verdeling locaties

Een luchtmobiel infanteriebataljon vormde de kern van Dutchbat. Het bestond uit 3 infanteriecompagnieën, een staf en stafcompagnie en de verzorgingscompagnie. De derde rotatie kende een gecombineerde staf-, staf- en verzorgingscompagnie. De verzorgingscompagnie, de staf en stafcompagnie en een infanteriecompagnie vestigden zich in een leegstaande accufabriek in het plaatsje Potocari. Dat lag in het noorden van de enclave. Een andere infanteriecompagnie betrok een kampement in Srebrenica-stad.

Helikopterdetachement

Het helikopterdetachement dat aan Dutchbat was toegevoegd en het Support Command werden ondergebracht bij een Scandinavische medische compagnie op een fabriekscomplex (Blue Factory) tussen Tuzla en Lukavac. De helikopters werden in september 1994 teruggetrokken bij het uitblijven van Bosnisch-Servische toestemming om naar Srebrenica te vliegen. De derde (versterkte) infanteriecompagnie van 200 personen ontplooide niet in Zepa, maar op het vliegveld van Tuzla. De compagnie verhuisde eind mei naar Simin Han in de Sapna-vinger. Zij waren daar verantwoordelijk voor de gebiedsbeveiliging en leverden konvooi-escortes.

Bevoorrading

Het Support Command was verantwoordelijk voor de bevoorrading van Dutchbat. Gebeurtenissen op het politieke of militaire vlak elders in Bosnië waren voor de Bosnische Serviërs nogal eens aanleiding om de bevoorradingskonvooien de toegang tot Srebrenica te weigeren. Zo sloten de Bosnische Serviërs als reactie op de NAVO-bombardementen op hun ‘hoofdstad’ Pale, Srebrenica na 26 mei hermetisch af van de buitenwereld. Ook namen zij op 3 juni in het uiterste zuiden van de enclave de observatiepost Echo in.

Safe area Srebrenica in handen Serviërs

Het zuiden van de enclave was op 6 juli opnieuw het doel van een Bosnisch-Servische aanval. In eerste instantie meende UNPROFOR dat de aanval zich tot dit deel van de enclave zou beperken, omdat hier een strategisch belangrijke weg liep. Al snel bleek echter dat de Bosnische Serviërs de gehele ‘safe area’ in handen wilden krijgen. De Serviërs waren op 11 juli heer en meester in de enclave. Dutchbat keerde op 21 juli via Zagreb terug naar Nederland.

Mandaat

Het mandaat van UNPROFOR was inmiddels op 31 maart 1995 afgelopen. Kroatië weigerde in te stemmen met een mandaatsverlenging. De Veiligheidsraad splitste UNPROFOR daarom op in 3 afzonderlijke missies, elk met een eigen mandaat:

• in Kroatië de United Nations Confidence Restoration Operation (UNCRO);

• in Bosnië-Herzegovina UNPROFOR

• en in Macedonië de United Nations Preventive Deployment Force (UNPREDEP).

De 3 operaties kregen elk een eigen commandant. Die legde verantwoording af aan het nieuwe overkoepelende hoofdkwartier van de United Nations Peace Forces (UNPF) in Zagreb.

Grotere slagkracht UNPROFOR

Frankrijk, Groot-Brittannië en Nederland spraken in het voorjaar de wens uit de slagkracht van UNPROFOR te vergroten. De VN-Veiligheidsraad ging hiermee in juni akkoord. In juli en augustus arriveerde de zwaarbewapende Rapid Reaction Force (RRF). Nederland droeg bij aan deze eenheid met een versterkte mortiercompagnie van het Korps Mariniers en een mortieropsporingsradareenheid van de landmacht (22 militairen). UNPROFOR was in de nieuwe setting echter een kort leven beschoren.

Machtsverhoudingen veranderen

In de loop van 1995 wijzigden de machtsverhoudingen in Bosnië ingrijpend. Dat had hoofdzakelijk twee oorzaken. In de eerste plaats lanceerden Kroatië en de Moslim-Kroatische Federatie (MKF) in het voorjaar een succesvol offensief. In de tweede plaats kwam dat door zware NAVO-bombardementen op het Bosnisch-Servische leger (operatie Deliberate Force). Die waren een afstraffing voor een bloedige mortieraanval op Sarajevo (28 augustus).

Vredesakkoord

De strijdende partijen sloten onder druk van de VS op 14 oktober 1995 een staakt-het-vuren. Ze namen deel aan vredesonderhandelingen in het Amerikaanse Dayton, die op 14 december het vredesakkoord van Parijs opleverden. De partijen kwamen overeen dat UNPROFOR op 20 december 1995 zou worden vervangen door een robuuste NAVO-implementatiemacht: IFOR.