Nederlands aandeel inzet Tunesië-compagnie

Op 6 november 1969 gaf de Nederlandse regering het startsein voor de militaire hulpoperatie in het Tunesische rampgebied. Voor de werkzaamheden werd een speciale ‘genieconstructiecompagnie’ uit de Rampenbrigade gevormd.

Samenstelling Tunesië-compagnie

De 230 vrijwilligers van deze ‘Tunesië-compagnie’ (Tuncie) kwamen voornamelijk uit 11 Geniebataljon in Wezep en stonden onder bevel van majoor J. Schokker. De eenheid werd aangevuld met een liaisongroep, een herstelpeloton, een kiepautopeloton, een verbindingsgroep, een geneeskundige groep, een intendancegroep en enkele marechaussees.

Putten zandvrij

In de vroege ochtend van 4 december 1969 vertrok de Tuncie. De eenheid opereerde vanuit een basiskamp in de plaats Raccada. In totaal maakten de genisten 33 putten zandvrij en herstelden zij de bijbehorende pompen. Daarnaast deden zij tal van klussen voor de lokale bevolking, zoals het zandvrij maken van de dorpjes Beni-Temin en Saaffrana, en de landbouwschool bij Barouta.

Waterleiding repareren

Vanwege vertragingen bij het afleveren van materiaal begon de Tuncie later aan de hoofdtaak: het repareren van de waterleidingen bij de steden Sidi bou Ali en Kairouan. Voor de waterleiding bij Sidi bou Ali werd een nieuw traject onder de rivier de Zeroud gelegd. Eind februari 1970 was dit project afgerond. De herstelwerkzaamheden aan de waterleiding van Sidi bou Ali werden pas op de allerlaatste dag (3 maart 1970) afgerond.

Deadline gehaald

Mede door hulp van 10 ‘ingevlogen’ luchtmachtmilitairen van 298 Squadron werd deze deadline gehaald. Defensie besloot dit luchtmachtdetachement met 2 Alouette III-helikopters tussen 22 januari en 19 maart 1970 in te zetten. Deze Support Tunesië Compagnie verkortte de werkdruk van de genisten door materieel tussen de beide kampen door de lucht te vervoeren. Op 5 maart 1970 keerden de Tuncie en het luchtmachtdetachement terug naar Nederland.