De bouwdienst

Het worden wel de ‘2 bloedgroepen’ van het regiment genoemd: de genietroepen en de bouwdienst. Deze organisaties trekken vaak samen op maar hebben elk hun eigen geschiedenis. 1 ding hebben ze gemeen: het zijn allemaal genisten.

Vestingbouwers

De bouwdienst bestond oorspronkelijk uit vestingbouwers. Vanaf de 16e eeuw werd die beroepsgroep steeds professioneler. De vestingbouwkundige ingenieurs kwamen in 1688 onder leiding te staan van een Directeur-Generaal van Fortificatiën. Dat beschouwen we nu als geboortejaar van de bouwdienst.

Kaart van Nederland met daarop de waterlinies.
Waterlinies in Nederland. (NIMH)

De Nederlandse ‘fortificateurs’ stonden internationaal in hoog aanzien. Zij waren meesters in het bouwen met baksteen en grond, maar stonden eveneens te boek als uitmuntende waterbouwkundigen. Dat was nodig voor de typisch Nederlandse manier van verdedigen: ‘op natte horizon’, dus met waterlinies.

De Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam zijn daar de bekendste voorbeelden van. De laatste waterlinie, de IJssellinie, deed dienst tijdens de Koude Oorlog. Daarna verdween de vestingbouwkundige uit beeld.

Kazernes

Behalve vestingen, forten en waterlinies bouwde de genie ook kazernes. Vooral na 1865, toen de toenmalige Dienst der Genie de verantwoordelijkheid kreeg voor de huisvesting van militairen, groeide dit uit tot een ware specialiteit.

De Generaal-majoor Kootkazerne in Stroe.
Bouwen voor Defensie op de Generaal-majoor Kootkazerne, Stroe. (Foto: NIMH)

Tot 1940 had elke stad van belang wel een garnizoen dus het ging om tientallen kazernes. Deze werden volgens de nieuwste inzichten gebouwd: licht, ruim, fris en voorzien van alle gemakken. Bovendien waren de gebouwen vaak architectonische eyecatchers. Het is dus niet verwonderlijk dat veel van deze oude kazernes tegenwoordig een monumentenstatus hebben.

Na 1945 nam de omvang van de krijgsmacht enorm toe. Om de vele dienstplichtigen onderdak te bieden legde de genie grote legerplaatsen aan in het buitengebied. Op een aantal daarvan is nu het grootste deel van de Koninklijke Landmacht gelegerd. Daarnaast bouwde de genie faciliteiten voor de luchtmacht, de marine en de marechaussee.

Oefenterreinen

Om het leger te laten oefenen, beheerde de genie ook uitgestrekte oefen- en schietterreinen. De kleinere lagen in de buurt van de garnizoenen. Voor oefeningen met grotere eenheden kocht Defensie op grote schaal ‘woeste gronden’ aan, meestal onontgonnen heidevelden. De bouwdienst zorgde voor de inrichting, het beheer en het onderhoud.

Bord op schietbanen en oefenterreinen met de tekst: verboden toegang, levensgevaarlijk, onontplofte granaten.
Beheer van schietbanen en oefenterreinen. (Foto: NIMH)

Het beheer ging gepaard met een grote verantwoordelijkheid: het militair gebruik stond soms op gespannen voet met de natuur. Defensie heeft geleerd op dat vlak: veel oefen- en schietterreinen zijn tegenwoordig waardevolle natuurgebieden.

Uit de krijgsmacht

De bouwdienst heeft in het verleden verschillende namen gekend. De afkorting DGW&T van de Dienst Gebouwen, Werken en Terreinen klinkt velen ongetwijfeld nog bekend in de oren. De DGW&T werd in 2006 de Dienst Vastgoed Defensie (DVD). Op 1 juli 2014 nam de krijgsmacht afscheid van de ‘bouwgenie’ toen de DVD opging in het Rijksvastgoedbedrijf (RVB).

Er werken bij het RVB nog steeds medewerkers met een ‘defensiehart’, burgers en genisten. Deze moderne fortificateurs zorgen nog steeds voor de Defensie-infrastructuur. Zij staan daarmee in de lange traditie van de bouwdienst, die een enorme stempel heeft gedrukt op de inrichting van Nederland.