Topstukken

Museum Bronbeek laat in willekeurige volgorde een aantal bijzondere museumstukken uit de collectie zien.

1. Ambtskostuum gouverneur-generaal

Gouverneur-generaal James Loudon droeg deze rokjas van donkerblauw laken en goudborduursel. Het borduursel bestaat uit eikentakken met eikenbladeren en eikels vervlochten met lauwertakken, lauwebladeren en kelkjes. De knopen dragen een gekroonde W. Deze motieven waren typisch Europees en Nederlands en symboliseerden de macht van Nederland als koloniale overheerser. Loudon (1824-1900) was van 1871 tot 1875 gouverneur-generaal van Nederlands-Indië. Als hoogste gezagsdrager in de kolonie droeg hij het kostuum bij speciale gelegenheden. Tijdens zijn bewind werd de oorlog verklaard aan het onafhankelijke sultanaat Atjeh.

2. Eresabel Van Heutsz

Eresabel van het model 1861 voor  Joannes van Heutsz. In 1855 werd de eresabel ingevoerd voor officieren van het Indische leger die al gedecoreerd waren met de Militaire Willemsorde 4e klasse en die zich opnieuw bijzonder hadden onderscheiden. De eresabel werd op naam uitgereikt. Op de binnenzijde van de kling staat ‘kapitein van den generalen staf, J.B. van Heutsz, december 1889 – februari 1890. Kota Toeankoe, Kota Baroe en Tjot Goë’. Van Heutsz was officier in het Indische leger en van 1898 tot 1904 was hij gouverneur in Atjeh. In 1904 werd hij zelfs gouverneur-generaal. Van Heutsz is een controversieel figuur. Hij beëindigde de oorlog in Atjeh en onderwierp heel Nederlands-Indië. Daarbij werd hardvochtig optreden niet geschuwd.

3. Lange Verklaring Atjeh 1895

Met dit contract erkende teuku Nja Muda Jusuf de Nederlandse soevereiniteit. Het werd op 4 februari 1895 getekend teuku Nja Muda Jusuf, uléëbalang (Atjehs bestuurshoofd) van het landschap Simpang Olim (Atjeh, Noord-Sumatra) en de Civiel en Militair Gouverneur van Atjeh en Onderhorigheden, generaal-majoor C. Deykerhoff. Vanaf 1898 kwam de zogenaamde korte verklaring in de plaats van de lange verklaring.  De koloniale staat stelde zich niet langer tevreden met de erkenning van haar soevereiniteit, maar ging tot inlijving over.

4. Handpopjes

Tijdens de Japanse bezetting van Nederlands-Indië was de bezettingspolitiek gericht op het elimineren van de westerse invloed. Een groot deel van de Europese bevolking, zo’n 100.000 burgers, werd in gescheiden kampen (mannen en vrouwen met kinderen) geïnterneerd. Eind 1942 zaten in interneringskamp Brastagi, ten zuiden van Medan, 1.744 mannen, vrouwen en kinderen. Mevrouw A.C. Visser-Neumann gaf zondagsschool aan kinderen en beloofde hen een poppentheater. Ze maakte hiervoor een decor en de 3 handpoppen van textiel: Jan Klaassen, Catrijn en een kabouter.

5. Autostandaard bataljon vechtwagens

Autostandaard van kapitein G.J. Wulfhorst, commandant van het 1e Bataljon Vechtwagens en de Mobiele Eenheid, 1941-1942. Het KNIL richtte in 1939 een bataljon vechtwagens op. Vechtwagen was de KNIL-benaming voor tank. Uit dit bataljon werd in december 1941 de eerste operationele tankeenheid van het Nederlandse leger geformeerd. Deze viel op 2 maart 1942 bij Subang op Java de Japanse invasiemacht aan. Deze 1e tankaanval uit Nederlands militaire geschiedenis werd uiteindelijk met grote personele en materiële verliezen afgeslagen. De autostandaard overleefde vervolgens de Japanse krijgsgevangenschap.

6. Identiteitsplaatje Seno

Om omgekomen militairen te herkennen, droegen ze een identiteitsplaatje aan een ketting om de hals. In 1916 werd het bij het Indische leger ingevoerd. Dit is het model 1935. Het identiteitsplaatje is van Seno, stamboeknummer 7653 KVP. Bij een omgekomen militairen moet het plaatje worden gebroken. Een helft blijft op het lichaam, de ander gaat naar de administratie. Dat is bij Seno niet gebeurd. Hij werd in 1922 op een onbekende plaats geboren en was nog geen 20 toen hij in januari 1942 op Tarakan, een eiland bij Kalimantan, sneuvelde. Seno was een inheemse militair met een kort verband (KVP) bij het KNIL. Hij was moslim. Hij had bloedgroep 0. Zijn lichaam werd in een massagraf op Tarakan teruggevonden. Seno is herbegraven op het Ereveld Kembang Kuning te Surabaya.

7. Peperstuk (koperen kanon)

Koperen kanon met een kaliber van 19 centimeter met krans van gouden eikenloof. Het kanon staat bekend als Peperstuk of `Radja Beudé`. De sultan van het Turkse Rijk schonk het kanon in de jaren 1631-1636 aan de sultan van Atjeh. Op het stuk staat  Z.M. Ibn Schah âlan trill allâh, wat betekent: ‘Zoon van den Koning der Wereld, de schaduw Gods op de wereld.’ Aan het stuk zouden mensen met kettingen zijn vastgemaakt, om op de Atjehse slavenmarkt tentoongesteld en verkocht te worden. Het Indische Leger maakte het kanon buit op Atjeh en vervoerde het in 1875 als oorlogstrofee naar Bronbeek. In 1881 liet koning Willem III als geschenk de krans van gouden eikenloof op het kanon plaatsen.

8. Dagboek van Flip Peeters

Flip Peeters maakte een geïllustreerd dagboek over zijn belevenissen als dienstplichtig korporaal in Nederlands-Indië bij het 403 Bataljon Infanterie tussen augustus 1948 en juni 1950. Het dagboek geeft een geromantiseerd beeld van zijn militaire leven in Midden-Java tijdens de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog. Peeters tekende het land, bevolking en voorwerpen die zijn diensttijd mede bepaalden. Met meesterhand tekende hij ook wat hij meemaakte: grappige voorvallen op humoristische wijze, verdrietige gebeurtenissen op een meer ingetogen manier. Lief en leed kwamen vaak op eenzelfde pagina terecht. Hij maakte het dagboek om zijn verloofde Gerda in Nederland een beeld te geven van wat hij doormaakte. Voor Peeters bleek het tekenen bij te dragen aan de verwerking van zijn belevenissen in Nederlands-Indië. Hij schonk zijn dagboek in 2008 aan museum Bronbeek.