Prinses Irenebrigade

Koninklijke Nederlandse Brigade Prinses Irene 1941-1945

Na de capitulatie in mei 1940 wordt in Groot-Brittannië met de overgekomen militairen het Nederlandsch Legioen opgericht. Het onderdeel wordt in de volgende periode aangevuld met dienstplichtigen en vrijwilligers uit de rest van de vrije wereld. Ook veel uit bezet gebied ontsnapte Nederlanders, de zogenaamde Engelandvaarders, worden bij het Legioen ingedeeld. In 1941 wordt het legioen omgedoopt tot Koninklijke Nederlandse Brigade Prinses Irene. In werkelijkheid is het niet meer dan een versterkt bataljon. Vanaf de zomer van 1943 gaat alle aandacht bij de Brigade uit naar de komende gevechtsacties op het Europese vasteland. Maandenlang wordt intensief getraind.

Begin augustus 1944 zet de brigade voet aan wal in Normandië. Bij het plaatsje Bréville-les-Monts nemen de Nederlandse militairen de stellingen over van Britse luchtlandingseenheden. Daarna bevrijden zij met andere geallieerde eenheden het plaatsje Pont Audemer. In de nazomer van 1944 komt het verder tot confrontaties bij het Belgische Beeringen en Tilburg. Van november 1944 tot maart 1945 bewaakt de Brigade de kust van Walcheren en Noord-Beveland tegen Duitse infiltraties.

Met het aanbreken van de lente wordt de Brigade verplaatst naar het Maasfront. Kort voor de Duitse capitulatie ontbrandt nog een felle strijd in en rondom Hedel. Af en toe is er zelfs sprake van man-tegen-man-gevechten. Er sneuvelen 12 Irenemannen.

Nadien wordt kapitein Willem Roos tot Ridder Militaire Willemsorde der 4e klasse geslagen. Na de Duitse capitulatie bereikt de Prinses Irene Brigade op 8 mei als eerste geallieerde eenheid Den Haag.

Ian Jacob Havelaar 1910-1944

De op 19 maart 1910 in Rotterdam geboren Ian Jacob Havelaar groeit op in de Maasstad. Na de afronding van het gymnasium vervult Ian zijn dienstplicht. Hij wordt opgeleid tot reserveofficier bij de cavalerie. Na een studie rechten in Leiden werkt hij als ‘makelaar in assurantiën’ op het kantoor van zijn vader. Na een ongeval, waarbij hij een duim moet missen, wordt hij afgekeurd voor de cavalerie. Hij treedt daarom in 1933 toe tot het Vrijwillig Landstormkorps Vaartuigendienst. Op 29 augustus 1939 wordt hij als reserve eerste luitenant gemobiliseerd.

Als Ian zich in 1943 moet melden om in Duitse krijgsgevangenschap te worden afgevoerd, besluit hij te vertrekken uit Nederland. Hij monstert met een vriend aan als stoker op de SS Beverwijk. Wanneer dit koopvaardijschip op 5 oktober aanlegt in Oxelösund in het neutrale Zweden, zien zij hun kans schoon: ze gaan ervandoor. De 2 melden zich bij het Nederlandse consulaat in Stockholm met het verzoek hen verder te helpen naar Groot-Brittannië. Dat lukt. Op 31 januari 1944 komen ze per vliegtuig in Schotland aan.

Ian sluit zich aan bij de Prinses Irene Brigade. In augustus 1944 landt hij in Normandië. Enkele maanden later wordt hij als commandant van 7 lichte rupsvoertuigen (Bren Gun Carriers) in het Zeeuwse Colijnsplaat gelegerd. In de nacht van 24 op 25 november slaat het noodlot toe. Duitse militairen landen met een bootje op de dijk bij het dorp voor een sabotageactie. Nadat alarm is geslagen gaan Ian en zijn mannen erop af. Bij een afwateringssluis stuiten ze op de vijand. Wanneer de Rotterdammer zijn hoofd boven de dijk uitsteekt om de situatie met zijn verrekijker te bekijken, wordt hij getroffen. Hij is op slag dood en wordt korte tijd later begraven in Colijnsplaat.

Op 4 augustus 1945 wordt zijn stoffelijk overschot bijgezet op de begraafplaats van Rotterdam-Hillegersberg. Na het ruimen van het familiegraf is Ian in 2017 in Colijnsplaat herbegraven.