Stoottroepen

De Stoottroepen 1944-1945

Na de bevrijding van het grootste gedeelte van Zuid-Nederland in september 1944 worden vanuit het verzet de Stoottroepen opgericht als onderdeel van de Binnenlandse Strijdkrachten. De vrijwilligers voor dit nieuwe onderdeel van de Koninklijke Landmacht komen voornamelijk uit de provincies Noord-Brabant, Limburg en Zeeland. De Stoottroepen van het Commando Brabant komen onder Brits bevel te staan, terwijl de Stoottroepen van het Commando Limburg onder Amerikaans bevel gaan vallen.

De geallieerden kunnen de ‘Stoters’ goed gebruiken: zij kampen aan het front in het zuiden van Nederland met een troepentekort. Vanaf eind september 1944 bemannen de Brabantse en Limburgse Stoottroepen daarom her en der langs het front posten die zij moeten verdedigen tegen Duitse gevechtsacties. Ook draaien ze wacht- en patrouillediensten. De Stoters doen dit onder vaak barre weersomstandigheden en met een groot tekort aan voedsel, kleding en bewapening.

De meeste compagnieën van de Brabantse Stoottroepen worden ingezet aan de oevers van de Maas en Waal. Zij moeten vijandelijke infiltraties in het rivierengebied tegengaan, om te voorkomen dat de Duitsers vernielingen aanrichten of krijgsgevangenen maken. Vanaf januari 1945 bewaakt een aantal compagnieën van Commando Brabant het front in Zeeland. De compagnieën uit Limburg versterken voornamelijk het front in het zuiden van deze provincie door wacht- en verkenningspatrouilles uit te voeren. Veel van de Stoters zijn uiteindelijk maandenlang actief op Nederlandse bodem. Een ander deel trekt de laatste oorlogsweken diep Duitsland in. Van de 6.000 Stoters die tussen september 1944 en mei 1945 onder de wapenen komen, sneuvelen er 102.

Wim Schreur 1923-2002

De in 1923 in Bloemendaal geboren Wim Schreur woont tijdens de oorlogsjaren in het Limburgse Kerensheide. In de bevrijdingsperiode zit hij ondergedoken om te voorkomen dat hij in het kader van de Arbeitseinsatz wordt weggevoerd naar Duitsland. Kort na de bevrijding van Zuid-Limburg meldt de dan 21-jarige Wim zich aan bij het wervingsbureau van de Stoottroepen in Geleen.
Hij wordt aangenomen en ingedeeld bij de 1e Compagnie van Vak II (Sittard). Er volgt een korte training die bestaat uit sport, exercitie en enkele elementaire lessen in het gebruik van wapens. Wanneer dit achter de rug is, begeeft Wim zich met zijn kameraden in versleten burgerkleding naar het front bij Nieuwstadt.

Begin oktober 1944 voeren Wim en een collega op een ochtend onderhoud uit aan een 50-mitrailleur, wanneer plotseling op 150 meter afstand 3 Duitse soldaten ten tonele verschijnen. Het zijn hachelijke momenten voor de 2 onervaren Stoters, maar zij hebben geluk: een Amerikaanse tankbemanning schiet te hulp en slaat de aanval met een welgemikt salvo af.

Korte tijd later, op 12 oktober 1944, voert het peloton van Schreur een verkenningsoperatie uit bij een riviertje ten oosten van Nieuwstadt. Terwijl 2 groepen de eigenlijke verkenning voor hun rekening nemen, geeft Schreur leiding aan een 3e groep die dekking moet geven. De Limburger heeft daarbij over geluk niet te klagen. Terwijl hij met zijn groep een oogje in het zeil houdt, ketst een kogel van een Duitse scherpschutter af op zijn wapen: “Had ik, in schiethouding liggend, mijn geweer 1 centimeter naar links of rechts gehouden, dan had de scherpschutter dwars door mijn hoofd geschoten”, noteert hij in zijn dagboek.
De 26-jarige groepscommandant Theo Dautzenberg, leider van een van de verkenningsgroepen, is minder fortuinlijk. Hij wordt in zijn schouder geraakt terwijl hij zijn eenheid door een veld leidt. Een 2e schot wordt hem fataal: “Toen hij weer op stond om zijn groep verder te leiden heeft een 2e schot in zijn nek een einde aan zijn leven gemaakt’’, aldus Schreur.

Dautzenberg is de 1e Limburgse Stoter die sneuvelt. Wim Schreur overleeft de oorlog. Hij overlijdt eind 2002 in Maastricht.