Toespraak Minister Bijleveld bij de herdenking Leids Militair Indië Monument, op 5 september 2019 in Leiden

Burgemeester Lenferink, beste Henri, Voorzitter Van Oosten, beste Foort, Beste veteranen, Dames en heren,

Hartelijk dank dat ik hier vanavond, op deze bijzondere en intieme bijeenkomst, voor u mag spreken.

Foort, Frans, Bert en Daan: het is mij een eer. In meerdere opzichten is dit jaar extra bijzonder. Daar zal ik later nog op ingaan.

En absoluut intiem.

Want wij zijn hier nu misschien niet in hele groten getale.

Maar voor u, degenen die er zijn, betekent deze herdenking écht iets.

Iets wezenlijks.

Iets wat u tot in het diepste van uw hart en ziel raakt.

Dat voel ik… Hier.

Dat gevoel maakt juist een wat kleinere herdenking als deze zo belangrijk.

Het laat zien dat we de verhalen niet vergeten.

Dat we moeten leren van het verleden.

Want ook al spreken we in Nederland nauwelijks in het openbaar over de naoorlogse periode in het voormalig Nederlands-Indië, nu Indonesië… de onzichtbare wonden die deze strijd achterliet, zijn bij velen nog niet geheeld.

En zullen waarschijnlijk nooit meer helen.

Dat is heel pijnlijk.

Want het raakt u persoonlijk… als oud-militair en betrokkene, maar vooral als mens.

En het raakt uw gezinnen.

De ervaringen hebben het lichaam nooit verlaten.

En de herinneringen leven, hoewel grotendeels onuitgesproken en maar beperkt opgetekend, voort in de harten van de volgende generaties.

Want ook ik weet…: in veel families is het Indië-verleden op de achtergrond nog altijd aanwezig.

Wij kijken vanavond terug op een stuk geschiedenis dat u allemaal, niemand uitgezonderd, met elkaar verbindt.

Een verbintenis die is vereeuwigd in het Leids Militair Indië Monument… waar wij straks in onderlinge verbondenheid samen zullen zijn.

Waar wij 1 ogenblik samen 1 zijn.

Waar wij oog hebben voor elkaar.

Omzien naar elkaar.

Als veteraan, partner van een veteraan, kind en kleinkind...

...Inwoner van de stad Leiden, directbetrokkene en belangstellende.

5 dagen geleden was ik aanwezig bij de herdenking van de Slag om de Schelde in Terneuzen.

Het was de aftrap van hét herdenkingsjaar van Nederland…

We vieren de start van de bevrijding van Nederland, nu 75 jaar geleden.

Een jaar waarin wij ons bewust zijn dat onze vrijheid verre van vanzelfsprekend is.

Dat wij dankbaar mogen zijn dat wij zonder angst de straat op kunnen…

Naar school, naar ons werk, naar de winkel, naar onze sportclub, naar 1 van de vele terrassen die Leiden rijk is.

Dat wij met mooi weer in een bootje kunnen stappen en rondvaren door de singels of richting de Kager Plassen.

Wij kunnen elke dag onszelf zijn, onze eigen keuzes maken, zonder gevaar voor ons leven.

Daar staan we niet iedere dag bij stil.

Ik zou haast zeggen… gelukkig maar.

Wij zijn gewoon vrij.

En het moet ook gewoon zijn.

Hoe anders is dat in sommige andere landen in de wereld.

Onze vrede is 75 jaar geleden mogelijk gemaakt door de inzet van bevriende, naaste volken.

Door hen, die zich om ons bekommerden.

Door hen die niet opgaven, terwijl de vrede soms buiten bereik en nog mijlenver weg leek.

Dankzij hen kunnen wij nu zelf iets terugdoen voor de vrijheid van anderen.

Kan onze krijgsmacht helpen de veiligheid te herstellen in onstabiele landen, die op hun beurt weer een bedreiging vormen voor onze veiligheid.

Ik ben als minister verantwoordelijk voor de militairen die wij, in het belang van Nederland, uitzenden.

Zij gaan naar gevaarlijke gebieden met een vaak hoge vijandelijke dreiging.

Ik sta erop dat hun rugzak voor vertrek gevuld is met de bagage die zij nodig hebben om te kunnen presteren, juist wanneer de nood het hoogst is.

Een rugzak met materialen, maar ook de benodigde drills, blind vertrouwen in elkaar, en vaardigheden…

Die zij opdoen in de opleiding, tijdens trainingen en oefeningen, in Nederland en daarbuiten.

Dat moet, omdat ik, de lokale bevolking en wij hier in Nederland allemaal op hen rekenen.

Zij doen wat de wereld van hen mag verwachten: Opstaan voor een ander…

Doen wat onmogelijk lijkt…

Beschermen wat ons dierbaar is.

Die verantwoordelijkheid, ten dienste van onze nationale driekleur – onze trots –, dragen onze mannen en vrouwen op hun schouders.

Dat is iets wat niet veranderd is ten opzichte van de inzet van onze militairen en dienstplichtigen in het verleden. 

Wat wel anders is, is de voorbereiding, de manier van oorlogvoering, de dreiging, de fysieke en mentale afstand, de betrokkenheid van onze samenleving, de zorg voor de impact van de oorlog op de militair.

Al zou je het willen, je kunt onze huidige missies daarom niet 1-op-1 vergelijken met de inzet van onze militairen in Indonesië.

Die oorlog wordt vaak als ‘vergeten’ of ‘fout’ bestempeld.

Vergeten in de ogen van veteranen en nabestaanden...

Fout in de ogen van activisten.

In de eerste decennia na deze gewapende strijd werden de herinneringen van de militairen dan ook veelal weggestopt, uit ieders hoofd verbannen.

Ze werden als het ware – symbolisch – in een kartonnen doos gestopt en op een muffe, stoffige zolder geplaatst… uit het zicht, liefst onvindbaar tussen de vele andere spullen.

Over Indonesië werd simpelweg niet gesproken.

Het negatieve stempel dat de inzet, naarmate de jaren verstreken, kreeg, had zijn weerslag op de mannen en vrouwen die daar hadden gediend.

Zij, de meesten dienstplichtig en vaak nog geen twintig jaar oud, verlieten huis en haard en vertrokken naar een plek waar zij zich vooraf geen enkele voorstelling van konden maken.

Een andere omgeving, ander klimaat, ander volk.

Zij maakten een wekenlange scheepsreis, terwijl sommigen daarvoor nooit eerder zelfs hun stad of dorp maar hadden verlaten.

Zij hadden nauwelijks enige voorbereiding of training gehad.

En bovendien: zij hadden net een oorlog meegemaakt in eigen land, waar ze zelf slachtoffer waren en vaak in angst leefden.

De grillen van de Tweede Wereldoorlog waren nog maar net voorbij en bij lange na niet vergeten.

Nederland was aan het opkrabbelen en daar ging ieders volle aandacht naartoe.

Ik vind het belangrijk dat wij deze omstandigheden onder ogen zien.

Dat wij die in ons achterhoofd houden wanneer wij praten over de inzet in Indonesië.

De oorlog kende vele gezichten.

Gezichten van gewone mensen als u en ik, die niet hetzelfde stempel mogen hebben als nu op het conflict wordt geplakt.

De militairen dienden hun land.

Zij deden wat er ter plaatse van hen werd verwacht.

Zij werden gevormd door de situatie en de mensen daar.

Het is vandaag de dag haast onmogelijk ons te verplaatsen in die omstandigheden van toen in Indonesië.

Maar de tijdsgeest van nu laat ons wel opener en eerlijker terugkijken naar dit deel van de Nederlandse historie.

Want er was sprake van excessief geweld.

Vanuit beide kanten werd een harde strijd gevoerd.

Nederland wilde allereerst de Japanners verdrijven.

En daarna Nederlands-Indië behouden als kolonie.

Voor Indonesië stond de oorlog in het teken van bevrijding.

Zelf besturen.

Onafhankelijk van Nederland.

Tegenstrijdige belangen in 2 tegenover elkaar staande kampen.

In bepaalde gebieden in de archipel laaide het geweld dan ook in alle hevigheid op.

De excessen over en weer werden beïnvloed door het moreel en vice versa.

Dat praat ik niet goed.

Wel weten wij ook dat tegelijkertijd de overgrote meerderheid van de Nederlandse militairen schone handen hield.

Dat neemt niet weg dat er door de strijd vele slachtoffers te betreuren waren.

Sommigen mochten in Indonesië hun leven niet meer voortzetten...

Sommigen keerden niet terug…

Meer dan 6.300 mensen brachten het hoogste offer.

Dat gold ook voor 26 mannen uit Leiden.

Zij sneuvelden of overleden in de periode tussen 1945 en 1951.

1 van hen was dienstplichtig soldaat der eerste klasse Laurens van Haastrecht van het 1e Regiment Verbindingstroepen.

Laurens was opgeleid als elektricien op de ambachtsschool.

Zijn vader was dienstplichtig marinier der eerste klasse, geplaatst in Den Helder, de plaats waar Laurens ook ter wereld kwam.

Hij groeide echter op in de Leidse Zeeheldenbuurt.

Op de Munnikenstraat 91.

Laurens maakte als chauffeur-verbindelaar deel uit van de staf van de 2e Infanterie Brigadegroep, die tussen november 1946 en september 1949 in West-Java werd ingezet.

Hij reed als chauffeur de gepantserde stafwagen van de commandant van de 2e Infanterie Brigade Groep, kolonel Uylenberg.

Op 7 januari 1949, na afloop van de Tweede Politionele Actie, kreeg zijn voertuig de volle laag bij kampong Pondok Salam, in de buurt van Purwakarta.

Laurens werd dodelijk getroffen.

Zijn laatste rustplaats bevindt zich op het Nederlands ereveld Menteng Pulo in Jakarta.

Hij werd slechts 23 jaar.

Voor Laurens en de andere 25 Leidse gesneuvelden richtte uw stichting een monument op.

En dat ging niet zonder slag of stoot.

Dankzij een langdurige lobby van een klein aantal mensen kwam het er eindelijk, 20 jaar geleden, in 1999.

De aanhouder wint…

Het moeizame proces kenmerkte de tijdsgeest van de regering, regionale bestuurders en Leidse gemeenschap destijds.

Want toen het monument er eenmaal was, werd het meteen weer vernield.

En later met rode verf beklad.

De emoties liepen hoog op en vele mensen werden diep gekwetst.

Maar er werd ook vergeven.

Met de jaren omarmde Leiden het monument en de vreedzame plek die het in de stad inneemt.

Het hoort nu bij Leiden, net als de voormalige kazerne De Morspoort, waarvandaan de militairen naar Indonesië vertrokken.

Er spelen kinderen en mensen drinken er een drankje.

Het is er rustig en het wordt met rust gelaten.

Uit eerbied en respect voor hen die niet terugkwamen uit de strijd… voor hen en hun nabestaanden.

Opdat Leiden nooit vergeet.

Opdat wij nooit vergeten.

Dit jaar is deze herdenking extra bijzonder, zei ik al in het begin van mijn toespraak.

Zo opende u enkele maanden geleden, met hulp van uw en onze collega’s van Museum Bronbeek, een speciale expositie over ‘de 26 van Leiden’ in het stadhuis.

De opening was, net als deze bijeenkomst, bijzonder en intiem.

Een nabestaande kwam speciaal van ver naar de opening met een foto van een gesneuvelde.

Ter plekke kreeg de foto van u onmiddellijk een plek in de expositie.

En kleindochter Sanne had de eremedaille van haar opa meegenomen, die postuum aan haar – inmiddels overleden – vader was uitgereikt.

Deze ligt nu bij de foto van Albert Louis Nix in de vitrinekast.

Ze is blij dat ze de medaille, de herinnering, die dag een plekje kon geven.

Die betrokkenheid geeft extra glans aan de herdenking van deze mannen.

Mannen en vaak zelfs jongens nog, die daar mannen werden…

...Maar vanwege het noodlot niet meer mochten terugkeren.

10 van hen kregen dankzij u een ‘gezicht’.

Van de rest resteert slechts een naam, een laatste rustplaats in Indonesië en de herinnering in uw harten.

Ik hoop dat het u lukt om hen in de toekomst alsnog met een foto te mogen herinneren.

Alle namen hebben een ereplaats op uw monument.

Voor onder de 3 standbeelden, van mannen gekleed in jas.

Want behalve militair waren zij gewone mannen, gewone Leidenaren.

Het monument laat hen herdenken als 1 van ons.

Een medebewoner van uw stad die, net als het monument, midden in de samenleving stond.

Dat herdenken doen we vanavond samen.

En niet alleen hier, maar eigenlijk iedere dag weer…

...Al staan we daar niet altijd bewust bij stil.

Of het nou onze geallieerde of nationale helden zijn van 75 jaar geleden, deze overleden Leidse mannen of onze overleden veteranen en kameraden die deelnamen aan meer recentere missies in Libanon, Bosnië of Afghanistan.

Herdenken is van ons allemaal.

Het verbindt ons in saamhorigheid, als stadsgenoten en als burgers in de Nederlandse samenleving.

Daarom staan wij, in ons hart hier], achter hen.

Zonder een stempel te drukken.

Want zij, deze 26 mannen, stonden er voor ons.

Dank u wel.