- Nederlands Instituut voor Militaire Historie
- Geschiedenis
- Tijdbalk
1814-1914: de krijgsmacht overzee
In de zeventiende en achttiende eeuw voeren de schepen van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) en de West-Indische Compagnie (WIC) over alle wereldzeeën. In Azië legden de Nederlanders een uitgebreid netwerk van handelsposten aan dat zich uitstrekte van Perzië tot Japan. De Molukse eilanden, Java en Ceylon waren vrijwel geheel in handen van de VOC, evenals Zuid-Afrika.
Ter ondersteuning van de noodlijdende handelscompagnie werden tussen 1783 en 1789 voor het eerst enige marine-eskaders naar de Oost gezonden. In het Atlantisch gebied handhaafden de Nederlanders zich met steun van de Staatse vloot in Suriname en het Caribisch gebied. Op Decima in Japan na, vielen alle overzeese gebiedsdelen na 1795 in Britse handen. Na de val van Napoleon verwierf het Koninkrijk der Nederlanden een groot deel van de voormalige territoriale bezittingen in de Oost en West terug. De Kaapkolonie (een deel van het huidige Zuid-Afrika) en Ceylon bleven echter definitief in Britse handen.
De verdediging van deze overzeese gebieden vroeg weldra de aandacht van koning Willem I en zijn ministers. Ondanks een voortvarend begin liepen de ambitieuze plannen voor de opbouw van een krijgsmacht te land en ter zee vanwege financiële en personele tekorten al snel vast. Suriname en de zes Nederlandse Caribische eilanden moesten het tot 1914 doen met een bescheiden militaire macht. Alleen bij verhoogde regionale dreigingen was Nederland bereid zich tijdelijk extra militaire inspanningen te getroosten. In de Oost was de verdediging geconcentreerd op Java, het bestuurlijk centrum. In de rest van de archipel overheerste de onthoudingspolitiek en volstond men met een vorm van maritieme controle en een netwerk van handelsposten. De andere Europese mogendheden erkenden de archipel min of meer als Nederlandse ‘invloedssfeer’. Om uiteenlopende redenen kwam het echter in de loop van de eeuw tot talloze militaire expedities tegen de inheemse bevolking, zodat het Nederlandse gezag zich toch langzamerhand ook in de Buitengewesten uitbreidde.
In de tweede helft van de negentiende eeuw kwam een eind aan de onthoudingspolitiek. In die tijd begonnen Engeland en Frankrijk (later gevolgd door Duitsland) Azië en Afrika in toenemende mate onderling te verdelen, een verschijnsel dat wordt aangeduid met de term ‘het moderne imperialisme’. Het betekende dat ook Nederland serieus werk moest gaan maken van de bezetting en het bestuur van de hele archipel – voordat andere landen dit mogelijkerwijs zouden doen. De daadwerkelijke bezetting en ‘pacificatie’ van de archipel vond vooral plaats tussen 1890 en 1910.
De pacificatie van de archipel werd uitgevoerd door het KNIL (Koninklijk Nederlands-Indisch Leger) in samenwerking met de zeemacht. Het KNIL droeg het karakter van een vreemdelingenlegioen. Het bestond voor ongeveer een derde uit Europese militairen (vooral Nederlanders, maar ook veel Duitsers en Belgen) en voor tweederde uit militairen die op de Indonesische eilanden werden geworven (voornamelijk Javanen, gevolgd door Molukkers, Menadonezen en Timorezen). Het was een bont gezelschap, waarin christenen en islamieten broederlijk naast elkaar dienden en waarin op zijn minst tien verschillende talen werden gesproken. De legersterkte bedroeg gemiddeld 30.000 man. Het KNIL kwam vrijwel jaarlijks in actie. Altijd viel er wel ergens een rebellie neer te slaan, een strafexpeditie uit te voeren of een onwillige radja tot medewerking te bewegen. Terwijl Nederland in Europa militair gezien vrijwel niet meer meetelde, vond er in de Indische kolonie een intensief, langdurig en vaak bloedig militair optreden plaats.
Naast het KNIL was tot 1838 een Auxiliair eskader van de Koninklijke Marine actief in de Oost ter assistentie van de zelfstandige Koloniale Marine. Na de opheffing van deze regionale zeemacht breidden de werkzaamheden van het Nederlands eskader van de Koninklijke Marine zich zo uit, dat de hoofdtaak van de Nederlandse zeemacht verschoof naar Nederlands-Indië. In de tweede helft van de negentiende eeuw vertoefde bijna zestig procent van de schepen en het personeel in Indië (meer dan dertig schepen, met een Europese bemanning van meer dan 3.000 koppen). Deze accentverschuiving was mogelijk door beperking van de taak in Europa tot kustverdediging. Naast de externe verdediging van het gebied en (hulp bij) de pacificatie van de binnenlanden en Buitengewesten, legde de zeemacht zich toe op de bestrijding van zeeroof.
Sociale Media