- Nederlands Instituut voor Militaire Historie
- Geschiedenis
- Tijdbalk
1648-1713: Als grote mogendheid tegenover Frankrijk en Engeland

De Republiek der Verenigde Nederlanden was in korte tijd het centrum van de wereldhandel geworden met een groot handelsimperium in Azië en het Atlantisch gebied. De Nederlandse vloot ontplooide zich wereldwijd en was een krachtig instrument ter verdediging van het nationaal belang. Het economische succes van de Republiek wekte de jaloezie van de nabuurlanden, die steeds meer een mercantilistische politiek gingen voeren. Zij gingen de buitenlandse handel, scheepvaart en nijverheid van de Republiek tegenwerken. Dit leidde tot drie grote oorlogen met Engeland die ter zee werden uitgevochten.
In het begin van de zeventiende eeuw werden de eskaders van de Staatse vloot versterkt met ten oorlog uitgeruste koopvaardijschepen. Koopvaardij en particuliere scheepsbouw waren dus ten nauwste met de marine verbonden als leveranciers van schepen én manschappen. De invoering van de linietactiek maakte wendbaarheid, zeilcapaciteit, snelheid en uniformiteit van de schepen echter steeds belangrijker. In de jaren vijftig en zestig van de zeventiende eeuw besloten de Staten-Generaal op aandringen van raadpensionaris Johan de Witt tot de bouw van honderd twintig schepen. Zo werd in de tweede helft van de zeventiende eeuw een omvangrijke, staande oorlogsvloot van meer dan honderd linieschepen, fregatten, en lichtere vaartuigen geformeerd.
Met drie- à vierduizend zeelieden was de oorlogsmarine een kleine werkgever in de maritieme sector, behalve bij oorlogsdreiging als er in korte tijd enige tienduizenden schepelingen werden gemonsterd. Scheepsvolk en scheepssoldaten werden voor slechts één oorlogscampagne in dienst genomen. Officieren van de vloot vormden hierop een uitzondering. Reeds in het begin van de zeventiende eeuw traden een paar ervaren kapiteins in vaste dienst tegen een jaarsalaris, de zogenoemde ordinaris-kapiteins. Een belangrijke versterking van de slagkracht van de marine die in 1665 gestalte kreeg, was de oprichting van een zogenaamd ‘regiment van marine’, dat nog altijd bestaat: het Korps Mariniers.
Met de Nederlandse landstrijdkrachten ging het echter aanmerkelijk minder goed. Het leger was na de vrede van Munster (1648) ingekrompen ten gevolge van bezuinigingen. Het telde – en dat alleen maar op papier – 26.000 man infanterie en 3.000 ruiters. De troepen waren slecht geoefend, het financiële beheer en de bewapening waren verwaarloosd, vestingen en forten werden niet meer onderhouden. De Republiek rekende vooral op diplomatie en het sluiten van bondgenootschappen als middel van nationale verdediging. Ondertussen doemde er na de vrede van Munster echter al snel een nieuwe vijand op: Frankrijk. Koning Lodewijk XIV wilde het grondgebied van zijn land fors uitbreiden. Hij liet eerst zijn oog vallen op de Zuidelijke (Spaanse) Nederlanden. Daarna zou de Republiek aan de beurt komen.
Vanaf 1670 begon Lodewijk een diplomatiek offensief tegen de Republiek. Engeland, dat met de Republiek al op slechte voet stond, Zweden en de vorst-bisschoppen van Munster en Keulen, sloten zich bij Frankrijk aan. In 1672 vielen Frankrijk en zijn bondgenoten de Republiek binnen. Dat jaar staat in de Nederlandse geschiedenis bekend als het ‘rampjaar’. Daarmee is geen woord te veel gezegd, want de strijd bracht de Republiek aan de rand van de afgrond. De voormalige vijand Spanje steunde de Republiek tegen de Franse expansiepolitiek.
De Prins van Oranje, Willem III, die in 1672 tot opperbevelhebber van de Staatse troepen was benoemd, wist in 1673 het tij te keren. De oorlog verplaatste zich naar de Zuidelijke Nederlanden. Op zee wist Michiel de Ruyter dankzij zijn tactisch vernuft de vijand van de kust af te houden. Met het sluiten van de Vrede van Westminster (1674) kwam een einde aan de handelsoorlogen tussen Engeland en de Republiek. In 1678 sloot de Republiek vrede met Frankrijk.
Willem III bleef daarna op het Europese toneel een bijzonder actieve rol spelen. Zijn grote doel was de territoriale expansie van Frankrijk door middel van diplomatie en zo nodig oorlogvoering een halt toe te roepen. De Republiek deed mee in 2 grote Europese oorlogen, de Negenjarige Oorlog (1688-1697) en de Spaanse Successieoorlog (1702-1713). Het in stand houden van een groot leger was daartoe een eerste voorwaarde. De sterkte van het leger werd krachtig opgevoerd: tot 90.000 man tijdens de eerstgenoemde oorlog en tot 110.000 man tijdens de tweede.
Tijdens de Negenjarige Oorlog slaagde Willem III, die op dat moment tevens koning van Engeland was, er in een grote coalitie tegen Frankrijk te smeden, waaraan tal van Europese staten meededen. Hoewel Frankrijk te velde veel succes boekte, moest het de strijd opgeven ten gevolge van economische en financiële problemen.
Willem III kreeg hierna echter te maken met een nog veel groter probleem. De Spaanse koning Karel II zou vermoedelijk kinderloos sterven en dan zou door de ingewikkelde erfopvolging (de ‘successie’) de Spaanse troon wel eens kunnen toevallen aan Lodewijk XIV of aan een van diens familieleden. Dat zou het Europese machtsevenwicht enorm verstoren. In 1702 brak er een oorlog uit: de Spaanse Successieoorlog. Frankrijk haalde uiteindelijk na 10 jaar strijd bakzeil en verloor zijn greep op Spanje en – heel belangrijk voor de Republiek – ook op de Zuidelijke Nederlanden, die onder bestuur kwamen van Oostenrijk. Op politiek en diplomatiek gebied werd de Republiek tijdens de oorlog echter steeds meer overvleugeld door de grote Europese landen. Het was het begin van een politieke en militaire neergang die zich in de achttiende eeuw zou voortzetten.
Sociale Media