- Nederlands Instituut voor Militaire Historie
- Geschiedenis
- Tijdbalk
1568-1648: In opstand tegen Spanje

De oorsprong van de Nederlandse zeemacht ligt in de vijftiende eeuw. Ter bescherming van handel en scheepvaart was een maritieme defensie noodzakelijk. Aanvankelijk droeg deze een plaatselijk of zelfs particulier karakter. Kooplieden en bestuurders van havensteden handelden geheel op eigen initiatief. Defensieve maatregelen om buitenlandse concurrenten, piraten en kapers van het lijf te houden waren bijvoorbeeld konvooiering en bewapening van koopvaardijschepen. Daarnaast reikten stadsbesturen of landsheren ten tijde van oorlog kaper- of commissiebrieven uit, waarmee zij schippers permissie gaven om schepen van de tegenstander buit te maken.
Het centrale gezag probeerde tevergeefs het toezicht op de oorlogsvaart te vergroten. In 1488 vaardigde Maximiliaan van Habsburg de Ordonnantie op de Admiraliteit uit, waarmee voor het eerst een permanente marineorganisatie voor de Nederlanden werd gesticht. De defensie ter zee werd wettelijk geregeld en opgedragen aan een admiraal als plaatsvervanger van de vorst.
De oorsprong van de Nederlandse landmacht ligt in de zestiende eeuw. De Nederlanden bestonden toen uit 17 gewesten – ongeveer het grondgebied van het huidige Nederland, België en Luxemburg – en maakten deel uit van het Spaanse wereldrijk. Koning Filips II, die regeerde van 1555 tot 1598, liet zich voor het bestuur van de Nederlanden vertegenwoordigen door een landvoogd. Het bewind van Filips stuitte al spoedig op verzet. De koning wilde het bestuur van de noordelijke provincies moderniseren en centraliseren. Als gevolg daarvan raakten de hoge en de lage adel macht, voorrechten en inkomsten kwijt. Ook wilde hij nieuwe belastingen invoeren en was hij als overtuigd katholiek fel gekant tegen de opkomst van de protestantse geloofsgemeenschappen in de Nederlanden. Hierdoor joeg hij de hoge en lage adel alsmede alle protestanten tegen zich in het harnas. Daar kwam nog bij dat er in de jaren 1560 vooral in de zuidelijke gewesten een economische crisis heerste, die tot grote maatschappelijke onrust leidde.
De vlam sloeg in de pan toen in 1566 opstandige Calvinisten in de zuidelijke provincies veel kerken plunderden, de zogenaamde Beeldenstorm. Filips besloot daarop de orde met harde hand te herstellen. In 1567 stuurde hij daartoe de Hertog van Alva als nieuwe landvoogd, bekleed met een volledige militaire volmacht naar de Nederlanden. Het was Willem van Oranje, een hoge edele, die zich op dat moment opwierp als leider van de rebellerende gewesten. Hij bracht de eerste militaire eenheden bijeen om de strijd met Alva aan te binden. Het waren Nederlandse en Duitse huurlingen die voor de duur van een campagne werden geworven. Zo begon in 1568 de strijd van de opstandige Nederlandse gewesten tegen het Spaanse bestuur, die bekend staat als de Tachtigjarige Oorlog (tot de vrede van Munster in 1648), of, buiten ons land, als de ‘Nederlandse Opstand’.
De opstandige gewesten boekten pas na enkele jaren belangrijke successen. Na 1572 kwam het tot een volledige oorlog, waarin beide partijen hard en meedogenloos optraden. In de loop van de oorlog groeiden de zuidelijke en de noordelijke gewesten al snel uiteen. De zuidelijke (min of meer het huidige België) bleven katholiek en trouw aan de koning. De noordelijke zetten de opstand voort. Zij sloten zich aaneen tot wat spoedig de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden ging heten.
Tijdens de strijd ontstond langzaam maar zeker een meer geregelde strijdmacht. Die werd het ‘Staatse leger’ genoemd, omdat ze onder bevel stond van de Staten-Generaal, de vertegenwoordigers van de gewesten; het was een soort parlement dat het bestuur van de gezamenlijke gewesten steeds meer naar zich toe trok. Pas na 1585, door toedoen van prins Maurits, werd dit leger een goed georganiseerde en meer professionele strijdmacht. Het Staatse leger bleef voorlopig nog erg klein. In de tijd van Maurits telde het veldleger hoogstens 10.000 man. Frederik Hendrik slaagde er in een veldleger van 30.000 man op de been te brengen, maar een dergelijke prestatie kon maar korte tijd worden volgehouden. Financiële en logistieke factoren beperkten de militaire mogelijkheden in die tijd nog heel sterk.
De Opstand noopte ook tot een betere regeling van het marinebestuur. Op 13 augustus 1597 werd het beheer van het zeewezen in een Instructie voor de Admiraliteiten door de Staten-Generaal vastgelegd. Vanaf dat jaar lag de maritieme verdediging van de Republiek in handen van vijf admiraliteitscolleges: de Maze, Amsterdam, Zeeland, het Noorderkwartier, en Friesland. De colleges zetelden te Rotterdam, Amsterdam, Middelburg, beurtelings te Hoorn en Enkhuizen, en te Dokkum (vanaf 1645 Harlingen).
De admiraliteitscolleges werden bestuurd door de heren raden ter admiraliteit. In theorie was de Prins van Oranje in zijn functie van admiraal-generaal voorzitter van elk college. In de praktijk liet hij zich vertegenwoordigen door een luitenant-admiraal. Hoewel de admiraliteitscolleges generaliteitsorganen waren, was de gewestelijke invloed groot. De admiraliteit van Amsterdam maakte in het algemeen de dienst uit. Dit college nam het leeuwendeel van de activiteiten van 's lands zeemacht voor zijn rekening. De belangrijkste taak van de colleges was het bouwen, onderhouden en uitrusten van de oorlogsvloot. Voorts waren ze belast met het innen en beheren van in- en uitvoerrechten, (de zogenoemde convooien en licenten), het benoemen van lagere officieren en rechtspraak.
Gedurende de Tachtigjarige Oorlog was de Republiek betrokken bij tal van zeeslagen. Hoofddoel van de vlootacties was het openhouden van de handelsroutes op zee en de verdediging van het grondgebied. Een Staatse vloot trad in 1607 succesvol op tegen een Spaanse vloot in de Baai van Gibraltar. Overige vlootactiviteiten betroffen blokkades van de Vlaamse kust, konvooiering van de handelsvloten richting de Oostzee en de Middellandse Zee en bescherming van de visserij.
Sociale Media