- ...
- Cultureel
- Geschiedenis van de marine
- 's Lands macht, 's lands vloot (1500-1795)
Vijf admiraliteiten
In de aanloop naar de bloeiperiode van de zeventiende eeuw werd de marine steeds beter georganiseerd. Voor de verdediging van de Republiek op zee werden eind zestiende eeuw 5 zogenaamde admiraliteiten opgericht.
Aanvankelijk had de marine een plaatselijk of zelfs particulier karakter. Kooplieden en regenten van havensteden handelden geheel op eigen initiatief bij de verdediging van hun belangen op zee. Incidenteel ondernamen zij acties tegen buitenlandse concurrenten, piraten of kapers.
Defensieve maatregelen om de veiligheid van de scheepvaart te garanderen waren bijvoorbeeld konvooiering en bewapening van koopvaardijschepen. Soms werd ook voor het offensief gekozen en een vijandelijk schip veroverd. Hiervoor reikten stadsbesturen of landsheren in oorlogstijd kaper- of commissiebrieven uit. Schippers kregen met zo'n brief toestemming om schepen van de tegenstander buit te maken.
Het centrale gezag probeerde tevergeefs het toezicht op de oorlogsvaart te vergroten. In 1488 vaardigde Maximiliaan van Habsburg de Ordonnantie op de Admiraliteit uit, waarmee voor het eerst een permanente marineorganisatie voor de Nederlanden ontstond. De defensie op zee werd wettelijk geregeld en opgedragen aan een admiraal, als plaatsvervanger van de vorst. Het eigenzinnige Hollandse zeegewest bleef echter buiten de admiraal om zelf oorlogsvloten formeren.
De Opstand (1568-1648) maakte een betere regeling van het marinebestuur noodzakelijk. Op 13 augustus 1597 werd het beheer van het zeewezen door de Staten-Generaal vastgelegd in een Instructie voor de Admiraliteiten. Vanaf dat jaar lag de maritieme verdediging van de Republiek in handen van 5 admiraliteitscolleges:
- de Maze;
- Amsterdam;
- Zeeland;
- het Noorderkwartier;
- Friesland.
De colleges waren gevestigd in Rotterdam, Amsterdam, Middelburg, afwisselend in Hoorn en Enkhuizen, en in Dokkum (vanaf 1645 Harlingen).
De admiraliteitscolleges werden bestuurd door de Heren raden ter admiraliteit. In theorie was de Prins van Oranje in zijn functie van admiraal-generaal voorzitter van elk college. In de praktijk liet hij zich vertegenwoordigen door een luitenant-admiraal. De 2 belangrijkste ambtenaren, de advocaat-fiscaal en de secretaris, stonden garant voor bestuurlijke continuïteit.
De belangrijkste taak van de admiraliteitscolleges was het bouwen, onderhouden en uitrusten van de oorlogsvloot. Hiervoor beschikten de 5 admiraliteiten ieder over een eigen organisatie aan de wal, met kantoren, werven en magazijnen. Dit werd bekostigd uit de opbrengsten van de in- en uitvoerrechten en subsidies van de Staten-Generaal.
Volgens de Instructie voor de Admiraliteiten van 1597 waren de admiraliteitscolleges ook verantwoordelijk voor het innen en beheren van in- en uitvoerrechten, de zogenoemde convooien en licenten. Verder benoemden zij lagere officieren. Vlagofficieren en kapiteins werden aangesteld door de stadhouder of de Staten-Generaal, op voordracht van de admiraliteitscolleges.
De admiraliteitsraden hadden ook juridische bevoegdheden. Zo spraken zij recht bij zware delicten en traden zij op als prijsgerecht ten aanzien van buitgemaakte schepen en ladingen.
Sociale Media