]> Daar staan ze dan... de Taliban (18-08-2007) | Ministerie van Defensie

Ministerie van Defensie. Ga naar hoofdmenu / submenu / content / zoekveld.

  1. ...
  2. Actueel
  3. Landmacht log
  4. Archief

Daar staan ze dan... de Taliban (18-08-2007)

Mortieren in actieMortieren in actieWe zijn op patrouille en bezoeken een aantal quala’s (ommuurde huizen). De meesten staan leeg, maar niet allemaal. Na een kijkje op de binnenplaats van een alleenstaande quala en wat roepen: ‘SALAAM ALIKOM, we zijn van ISAF, we hebben goede bedoelingen en willen even praten…’ komt er uiteindelijk een man naar buiten.

We wisten dat deze quala bewoond was. De voorgaande dagen hebben we kinderen rond zien lopen, er staan wat koeien, lopen een paar kippen en een ezel kijkt ons – voor zover een ezel dat kan – schaapachtig aan. Achter de muur waar de eerste man vandaan kwam, zie ik door de kieren van de houten poort een tweede man. Hij slaat ons aandachtig gade en loopt vervolgens weg met een telefoon aan zijn oor.

Het gesprek levert niet veel op. De antwoorden van de man staan veelal los van de gestelde vragen en hij babbelt maar wat. Geheel uit het niets beweert hij ineens dat ergens ten noorden van waar we nu staan zijn broer gewond is geraakt in een vuurgevecht. ‘Talib’ vraag ik. 'Na, nee, ISAF…'. Ik laat de tolk uitleggen dat er op die plek al meerdere dagen geen ISAF troepen geweest zijn, maar dat er wel berichten zijn binnengekomen van mensen die zijn beschoten en beroofd door bandieten. Hij blijft echter bij zijn standpunt.

Het gesprek duurt al een half uur wanneer plotseling de tweede man achter ons opduikt. Het wordt tijd om verder te gaan met de patrouille. Hier worden we niets wijzer, zeg ik tegen de sergeant. We schudden handen en beleefd zeg ik  ‘Deera manana, de Goedai paman’ – bedankt en tot ziens. De man houdt me vast, hij wil niets met deze oorlog te maken hebben, hij wil dat zijn kinderen naar school kunnen leren lezen en schrijven…

Ik vertrouw hem niet, trek een pen uit mijn jas en geef hem die. ‘De pen is machtiger dan het zwaard’, laat ik onze tolk vertalen. De man kijkt me aan of hij water ziet branden. ‘Wat is dit?’ We weten genoeg, we moeten hier echt weg. Deze man staat tijd te rekken en is allesbehalve daadwerkelijk geïnteresseerd in ons.

'Als we terug zijn bij de voertuigen zien we dat de green zone verlaten is. Schijn bedriegt.''Als we terug zijn bij de voertuigen zien we dat de green zone verlaten is. Schijn bedriegt.'

Als we terug zijn bij de voertuigen zien we dat de green zone verlaten is. Schijn bedriegt. Laag achter de muurtjes en tussen de bomen loopt een aantal kerels. Ze komen duidelijk op ons af. Ze maken zoveel mogelijk gebruik van de dekking die de green zone biedt en zijn bewapend. Ze verplaatsen in kleine groepjes van vier à vijf man en uiteindelijk kiezen ze positie op zo’n twee- tot driehonderd meter van ons vandaan.

Er valt een vreemde stilte in de patrouille. Slechts de noodzakelijke meldingen worden gedaan. We manoeuvreren onze voertuigen zo onopvallend mogelijk in een gunstige positie en gedurende een minuut of tien lijken we in een soort patstelling te staan en gebeurt er niets. Met het opbouwen van de spanning lijkt de wil om te vechten toe te nemen. We kunnen onze vijand bijna in de ogen kijken. Een vijand die we niet kennen, maar die toch de hardvochtige wens heeft om ons te doden.

Achteraf verbaas ik me over het feit dat ik zelf ook geen enkele moeite had om hem ditzelfde aan te doen. Bij het vallen van de eerste artilleriegranaten breekt de paniek uit bij de Taliban. Zo vlug als ze gekomen waren zijn ze ook weer verdwenen. Kinderen komen weer naar buiten en alsof er nooit iets is gebeurd gaat het leven weer gewoon verder. We keren om en zetten onze patrouille voort. 

Voor het eerst heb ik ze nu met eigen ogen gezien. Dat waren ze dan, ‘de Taliban’, schiet het op de terugweg door mijn hoofd. Ik vraag me af hoe vaak we elkaar nog tegen gaan komen.


Sociale Media