- Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht
- Geschiedenis
IGK door de jaren heen
De Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht (IGK) door de jaren heen; een uitgebreide geschiedenis.
De historische wortels van het instituut IGK gaan terug tot 13 september 1945. Op die dag werd prins Bernhard benoemd tot Inspecteur-Generaal van de Koninklijke Landmacht (IGKL). Het ging hier om een nieuwe functie. Weliswaar kende ook in de negentiende eeuw het Nederlandse leger een inspecteur-generaal, maar de inhoud van die functie vertoonde geen gelijkenis met de rol die de prins kreeg toegewezen. In tegenstelling tot de Inspecteur-Generaal in de negentiende eeuw kon de prins het beleid niet bepalen, maar moest zich beperken tot het geven van adviezen aan de minister van Oorlog.
Zijn eerste schreden op het pad van een lange militaire loopbaan zette de prins in 1936, toen hij tot luitenant-ter-zee der eerste klasse en kapitein/ritmeester à la suite werd benoemd. Die toevoeging ‘à la suite’ betekende ‘boven de formatiesterkte’, wat inhield dat het hier feitelijk om een erefunctie ging. De prins was er echter de man niet naar om voor spek en bonen mee te doen. Toen in september 1939 de Tweede Wereldoorlog uitbrak en de Nederlandse krijgsmacht werd gemobiliseerd, benoemde koningin Wilhelmina hem tot haar adjudant in buitengewone dienst. In die hoedanigheid bracht hij talloze bezoeken aan de gemobiliseerde troepen, terwijl hij de koningin wekelijks verslag uitbracht over de staat van paraatheid van leger en vloot.
Tijdens zijn Londense jaren groeide de prins in zijn rol als officier. Nadat hij in mei 1941 zijn vliegbrevet had gehaald, volgde in september van dat jaar zijn benoeming tot hoofd van de Militaire Missie, een trait-d’union tussen de minister van Oorlog en het Britse War Office.
Ook had de prins veelvuldig contact met Nederlandse militairen. Een enkele keer maakte hij zelfs een bombardementsvlucht boven vijandelijk gebied mee. De oorlog bezorgde hem een bliksemcarrière: in december 1943 bereikte prins Bernhard de rang van vice-admiraal/luitenant-generaal. De toevoeging ‘à la suite’ was inmiddels uit het benoemingsbesluit verdwenen.
In het voorjaar van 1944 raakte koningin Wilhelmina er van overtuigd dat de diverse gewapende verzetsgroepen in Nederland zich tot 1 organisatie moesten verenigen en dat die organisatie onder bevel van haar schoonzoon moest komen.
Op 3 september 1944 trad prins Bernhard aan in zijn functie van commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten. Van meet af aan was duidelijk dat het bevelhebberschap van de prins tijdelijk zou zijn. In juni 1945, nadat de bevrijding van ons land tot opheffing van de Binnenlandse Strijdkrachten had geleid, werd hij eervol uit zijn functie ontheven.
Daarop volgde zijn benoeming tot Inspecteur-Generaal van de Koninklijke Landmacht (IGKL). Koningin Wilhelmina verbond hieraan overigens de uitdrukkelijke conditie, dat er sprake moest zijn van een daadwerkelijke vernieuwing van het leger. “Wordt aan deze voorwaarde binnen 4 maanden niet op bevredigende wijze voldaan, dan zal ik bij de prins aandringen zijn ontslag te vragen”, zo liet de vorstin aan toenmalig minister van Oorlog, mr. J. Meynen, weten.
Prins Bernhard zou zich niet hebben kunnen vinden in een louter ceremoniële functie. Nam hij bij zijn vertrek uit ons land in mei 1940 nog geen markante positie in binnen de Nederlandse samenleving, 5 jaar later had hij naam gemaakt als militair organisator en was hij een symbool van het verzet geworden.
De functie van IGKL stelde hem ruimschoots in de gelegenheid zijn militaire kennis en ervaring in praktijk te brengen. Als inspecteur-generaal had hij de taak zich een oordeel te vormen over alle vraagstukken over de opbouw en oefening van de landmacht en de minister van Oorlog daarover te adviseren.
De prins, die zich met veel elan op zijn nieuwe functie stortte, deed echter meer. Hij maakte zich onder meer ook sterk voor modern leiderschap en hij bepleitte de mogelijkheid voor onderofficieren om door te stromen naar de officiersrangen.
In april 1945 werd de staf gehuisvest op de huidige locatie ‘De Zwaluwenberg’ bij Hilversum. Onmiddellijk na de installatie op ‘De Zwaluwenberg’ bracht de chef van de Generale Staf, luitenant-generaal mr. H.J. Kruls, alle commandanten van landmachteenheden op de hoogte van de bevoegdheden van de inspecteur-generaal. De tot die staf behorende officieren waren, zo schreef Kruls, gemachtigd zonder vooraankondiging alle onderdelen te bezoeken, te inspecteren en oefeningen bij te wonen. Mede als gevolg van dit schrijven ontmoette de staf van de IGKL aanvankelijk nogal wat weerstand. De tot die staf behorende officieren kregen het etiket van spionnen opgeplakt, die het functioneren van de commandanten kwamen doorlichten.
Ook de toenmalige minister van Oorlog werd op het verkeerde been gezet. Kostte het al veel inspanning om dit misverstand uit de weg te ruimen, minstens zo moeilijk was het om commandanten ertoe te bewegen hun problemen op tafel te leggen. Gaandeweg brak echter het besef door, dat het de IGKL niet ging om het breken van carrières, maar om het geven van steun en raad in moeilijke zaken, en om het effenen van de wegen tussen commandanten en de hogere leiding.
In december 1946 werd de prins ook aangesteld als Inspecteur-Generaal van de Koninklijke Marine (IGKM). Toch slokte de landmacht in die tijd de meeste aandacht op, al was het maar vanwege de ontwikkelingen in Nederlands-Indië. Daarbij legde de prins vaak de vinger op de zere plek. Omstreeks 1950 viel het de toenmalige minister van Oorlog en Marine op dat de prins veel belangstelling had voor de arbeidsomstandigheden van het personeel. De bewindsman raadpleegde de inspecteur-generaal dan ook veelvuldig.
Het aantal functies van prins Bernhard breidde zich in 1953 nog verder uit. Naast IGKL en IGKM mocht hij zich nu ook Inspecteur-Generaal van de Koninklijke Luchtmacht (IGKLu) noemen, een gevolg van het feit dat de luchtmacht in dat jaar een zelfstandig krijgsmachtdeel werd. Hoewel de ministeries van Oorlog en Marine al in 1959 in 1 ministerie van Defensie waren opgegaan, zou het tot 1 januari 1970 duren, voordat de 3 functies van de prins werden samengevoegd tot de functie van Inspecteur-Generaal der Krijgsmacht (IGK). In september 1976 trad de prins, als gevolg van de Lockheed-affaire, af als IGK en werden alle formele banden met de krijgsmacht verbroken.
Luitenant-generaal jonkheer W.H. de Savornin Lohman werd de nieuwe IGK. De snelle benoeming van een opvolger nam niet weg dat deze functie, die sterk met de persoon van prins Bernhard verbonden was geweest, enige tijd ter discussie kwam te staan. In 1980 hakte de minister van Defensie, die volledig van het belang van de werkzaamheden van de IGK en zijn staf overtuigd was geraakt, de knoop door. De krijgsmacht zou ook in de toekomst over een inspecteur-generaal blijven beschikken.
Achteraf bezien, en met de enorme veranderingen rond Defensie in de jaren negentig in gedachten, kan de juistheid van die beslissing nauwelijks in twijfel worden getrokken en dat gebeurde dan ook niet. Zo informeerde op 30 maart 1990 de minister van Defensie de Tweede Kamer der Staten-Generaal over het veranderingsproces bij Defensie, waarbij vooral werd ingegaan op de interne en externe communicatie. Ten aanzien van de interne communicatie signaleerde de minister dat de IGK daarbij een belangrijke rol vervulde. Hij stelde vast dat het instituut IGK fungeerde op basis van bewezen autoriteit en beschikte over een goede reputatie als smeerolie in een grote, soms bureaucratische organisatie.
De minister gaf ook aan, dat er veel waardering bestaat voor de bemiddelende rol van de IGK in individuele en incidentele gevallen en dat Defensie met de IGK al jaren beschikt over een vertrouwensman, op wie ook zogenoemde klokkenluiders een beroep kunnen doen. De IGK is, aldus de minister, in staat los van functionele en hiërarchische lijnen zich een beeld te vormen van wat leeft binnen Defensie. Tevens is hij, gezien de omvang van de organisatie, een belangrijke bron van kennis waarvan bij de beleidsontwikkeling nadrukkelijker gebruik moet worden gemaakt.
In die periode werden de volgende maatregelen genomen om de rol van de IGK te versterken:
- De rapportages van de IGK voor de bewindslieden gaan altijd gepaard met heldere en duidelijke aanbevelingen, waarbij eventueel prioriteiten kunnen worden gesteld, die in zijn aanwezigheid in het Politiek Beraad worden besproken.
- De ervaringen en aanbevelingen van de IGK worden betrokken bij de beleidsontwikkeling. Het is echter onwenselijk dat de IGK ook feitelijk deelneemt aan de beleidsontwikkeling, omdat dit zijn onafhankelijkheid aantast.
- Op basis van de bevindingen van de IGK stellen de bewindslieden, in overleg met de IGK, periodiek bijzondere aandachtspunten vast, zodat zijn adviesfunctie een meer structureel karakter krijgt.
De minister van Defensie deelde de Tweede Kamer verder mee dat de rol en positie van de IGK op grond van het bovenstaande worden aangepast. De minister en de eventuele staatssecretaris zullen actief gebruik maken van de IGK in de versterkte rol. Het jaarverslag van de IGK zal vergezeld van een reactie van de bewindslieden aan de Tweede Kamer worden aangeboden.
Overigens wordt dit jaarverslag ook in andere segmenten van de samenleving, niet in de laatste plaats de media, in toenemende mate gezien als barometer waarop met name het sociale reilen en zeilen van de Defensieorganisatie kan worden afgelezen.
Sociale Media